Gemeente rond de kerk van Ammerstol

Het gezicht en de informatiebron van onze gemeente op het internet

Lezingen en overweging 29 maart

Evangelielezing:

Matteüs 26: 14 – 17, 47 – 50

Daarop ging een van de twaalf, die met de naam Judas Iskariot, naar de hogepriesters en zei: ‘Wat krijg ik van u als ik hem aan u uitlever?’ Ze betaalden hem dertig zilverstukken. Vanaf dat moment zocht hij een gunstige gelegenheid om hem uit te leveren.

Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’

Nog voor hij uitgesproken was, kwam Judas eraan, een van de twaalf, in gezelschap van een grote met zwaarden en knuppels bewapende bende, die door de hogepriesters en de oudsten van het volk was gestuurd. Met hen had zijn verrader een teken afgesproken. ‘Degene die ik kus’, had hij gezegd, ‘die is het, die moet je gevangennemen.’ Hij liep recht op Jezus af, en zei: ‘Gegroet, rabbi!’ en kuste hem. Jezus zei tegen hem: ‘Vriend, ben je daarvoor gekomen?’ Daarop kwam de bende naderbij, ze grepen Jezus vast en namen hem gevangen.

Matteüs 27: 3 – 10

Toen Judas, die hem had uitgeleverd, zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug en zei: ‘Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.’ Maar zij zeiden: ‘Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!’ Toen smeet hij de zilverstukken de tempel in, vluchtte weg en verhing zich. De hogepriesters verzamelden de zilverstukken en zeiden tegen elkaar: ‘We mogen ze niet bij de tempelschat voegen, aangezien het bloedgeld is.’ Na ampel beraad kochten ze er de akker van de pottenbakker mee, die dan als begraafplaats voor vreemdelingen kon dienen. Daarom heet die akker tot op de dag van vandaag de Bloedakker. Zo ging het in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: ‘En ze verzamelden de dertig zilverstukken, het bedrag waarop hij geschat was en dat ze hadden bepaald met de zonen van Israël, en ze betaalden er de akker van de pottenbakker mee, zoals de Heer mij had opgedragen.’

 

Ds. Roel Braakhuis leest de overweging van ds. W. de Bruin uit Bleiswijk:

Gemeente van Christus,

Je kind zal maar Judas heten.

Nee natuurlijk, zo noemen we onze kinderen niet. Wel Johan, Jannie of John naar de discipel Johannes, de leerling van de liefde. Wel Piet of Petra of Peter, naar discipel Petrus, ondanks zijn verloochening van de Here Jezus Christus, maar toch een van de grote apostelen van de kerk.
Ook Tom of Thomas, naar de grote twijfelaar in Jezus’ discipelkring, maar dat mag kennelijk niet lijden, want de naam Tomas staat al jaren in de top 10 van populaire jongensnamen.

Maar niet Judas…
Wel jammer eigenlijk, want het is zo’n mooie naam: Judas, in het Hebreeuws is het Juda, dat betekent ‘hij die God looft’. Judas, ‘hij die God looft’, je kan je kind minder toewensen. Prachtnaam.

Jawel, maar minder prachtig is dan toch de man, waar we bij die naam allemaal aan denken. Judas, de verrader van Jezus… De man die hem verkocht voor 30 zilverlingen. Judas, dat is een scheldnaam geworden. Een vloek, de man van de Judaskus.

Ja, er zijn wel mensen die het voor Judas opnemen. Hij zou Jezus hebben verraden om hem te dwingen tegen de Romeinen op te treden. Dan zou zijn verraad zijn geboren uit ongeduld. Een paar jaar geleden is er een evangelie van Judas boven tafel gekomen, weliswaar eeuwen later geschreven, maar toch: de rol van Judas wordt daarin verheerlijkt. Hij zou als enige van de discipelen Jezus echt hebben begrepen. Jezus zou hem prijzen omdat Judas de moed had om Hem te offeren.

Er is een toneelstuk van gemaakt, een éénpersoonsvoorstelling met de acteur Justus van Dillen als Judas. Ik had er vorige week heen gewild, helaas, afgelast vanwege de corona… In dat toneelstuk wordt Judas dus zo neergezet:
Judas als slachtoffer dan toch vooral:
‘Wie hier gelooft dat Jezus gestorven is voor zijn zonden?’, zo zou Justus van Dillen oftewel Judas gisteravond in Hoofddorp de theaterzaal in hebben geslingerd als het door was gegaan: En hij zou zelf hebben geantwoord: “Hij is niet gestorven voor jouw zonden. Als er al iemand gestorven is voor jouw zonden, dan ben ik dat. IK ja. Ik ben gestorven in de strop aan de dode boom. Ik ben gestorven en heb zo alle schuld op me genomen. Alle schuld.”
Judas…, slachtoffer, een moedig man, de enige die doorpakte, maar die niet werd begrepen…

In de Bijbel lees je dat dan toch anders. Jezus zegt ergens dat het beter was geweest als Judas nooit geboren zou zijn. Je huivert bij zulke woorden. En in de Vroege Kerk en de Middeleeuwen deden allerlei legenden de ronde die de gruwelijke toestand van Judas onderstreepten. Zijn ziel zou verwoest zijn door zijn verraad van de Heiland. En vreselijke dingen zouden er met hem gebeurd zijn, vertellen zulke legenden, die zijn totale verdorvenheid onderstrepen. Judas…, het toonbeeld van gruwel was hij in zulke verhalen. Als een soort van monster met een mismaakt lichaam werd hij voorgesteld. Als iemand bij wie alle menselijkheid is verdwenen.

Maar dan is daar Rembrandt. Ook vandaag toch ook maar weer Rembrandt. Een jonge Rembrandt nog. Het schilderij waar u en jij naar kijkt, is zelfs het werk waardoor hij is ontdekt. Dat gebeurt nog altijd bij artiesten, sporters; je bent ergens goed in, maar het valt nog niet zo op; en dan is er iemand, meestal een beroemdheid, die je ontdekt; die je voor het voetlicht brengt.

Matteüs 27:3-10 (Rembrandt)

Zo gebeurde dat ook bij Rembrandt. Constantijn Huijgens, privé-secretaris van de stadhouder in die tijd – we hadden geen koning, maar een stadhouder in Nederland toen, in de zeventiende eeuw. Die Constantijn Huijgens kwam eens kijken in Leiden waar de jonge Rembrandt woonde en werkte. En hij was overrompeld door wat hij zag op dit schilderij over Judas die de dertig zilverlingen terugbrengt bij de priesters. Want deze Judas is weer een mens geworden. Geen mismaakt lijf, geen draconisch gezicht met duivel-trekjes. Een mens, ja compleet aan de grond, letterlijk zoals hij daar op z’n knieën zit, rechts beneden op het schilderij. In uiterste wanhoop, vol berouw, smekend, uitzichtloos ook, bewust als hij zich is van het vreselijke, onomkeerbare dat hij heeft gedaan… Maar toch…, een mens.

In deze Judas kun je iets herkennen. Herkennen van menselijke pijn en verdriet. Herkennen van de vertwijfeling waar het leven van mensen ten prooi aan kan vallen. Ook uw, mijn leven, misschien wel. Ook jouw radeloosheid misschien wel, onze angst ook in deze onzekere tijden van corona.

Deze Judas komt ons heel dicht op onze huid. Je zou je er mee kunnen vereenzelvigen, zoals Rembrandt hem daar heeft neergezet, als toonbeeld van een mens in zijn of haar wanhoop. En bij Judas gaat het om dat uiterste ogenblik van wroeging, van berouw, en je kunt je wel voor je hoofd slaan: had ik nou maar…

Judas, een mens. Een radeloos mens. Wat heeft hem toch gedreven, deze Judas? Is het het geld geweest? Daar had hij wel wat mee, vertellen de evangeliën ons: hij beheerde de kas van het gezelschap van Jezus, gaf wel eens wat aan de armen, protesteerde toen daar een vrouw een dure pot zalfolie over Jezus’ voeten uitgoot, maar nam op zijn beurt ook geld weg uit de kas, zo vertelt een ander evangelie weer.

Wat was dat toch met Judas? Judas Iskariot werd hij genoemd: de man uit Kariot betekent dat, en die bijnaam begrijp je als je bedenkt dat dat een dorpje uit de landstreek Juda was, dat is dus het zuidelijke deel van Israël, de provincie rond Jeruzalem ook. Terwijl de andere discipelen uit Galilea kwamen, het noorden van Israël, was deze Judas een Judeeër, misschien ook daardoor een vreemde eend in de bijt? Was hij juist door zijn Judeese afkomst misschien ook extra gespitst op een aards koninkrijk met een koning op de troon van het aardse Jeruzalem, waar hij dichtbij was opgegroeid?

En als Jezus’ koninkrijk niet van deze wereld blijkt te zijn… Als Jezus’ doelstellingen van andere orde blijken, dan haakt Judas af…gedesillusioneerd, teleurgesteld… En het brengt hem naar de priesters die het besluit om Jezus te doden al hebben genomen. Enkel de goede gelegenheid moeten ze nog afwachten. En die wordt hen in de schoot geworpen door Judas… Jezus wordt door hem verkocht. Voor dertig zilverlingen, dat was de prijs voor een slaaf. Het was het verraad dat Judas en de naam van Judas voorgoed zou stempelen.

Maar nu ontmoeten we in onze Bijbellezing vanmorgen een Judas met berouw… Ja, maar nu is het te laat, zeggen we dan al gauw. Dat kan nooit zoveel voorstellen, meent een ander, bij iemand die zo slecht was dat hij Jezus verried. Ja, hij probeerde misschien nog onder zijn verantwoordelijkheid uit te komen, of het oordeel van God te ontlopen…, de huichelaar. Zo werd Judas nog al eens voorgesteld, zo werd zijn berouw voorgesteld.

De schilder Rembrandt heeft het anders gepeild. Heeft het dieper gepeild. Zoals ook de evangelist Matteus dat doet: En er klinkt zelfs een bijzondere geloofsbelijdenis uit Judas’ mond: “Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren”

Dat is nog al wat. Judas, ja hij is de man die Jezus verried. En die verantwoordelijkheid blijft staan, daar doet al het overige niets aan af. En toch ook…: Judas, hij is de eerste in het evangelie die de onschuld van Jezus betuigt. En hoe! “Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren”

Een onschuldige, ‘onschuldig bloed’ staat er letterlijk, die woorden riepen iets op bij een Israëliet. Dan dacht men aan Kaïn en Abel, het onschuldige bloed van Abel dat riep van de aarde en Kaïn die niet zijns broeders hoeder wilde zijn. En elke Israëliet kende de wetten van Deuteronomium 27 waar je het kunt lezen: “Vervloekt is een ieder die zich laat betalen om een onschuldige te vermoorden.” Daar stond de doodstraf op in het oude Israël.

Maar Judas spreekt met deze belijdenis niet alleen over zijn eigen zonde, over zijn eigen schuld en de straf die hij zou verdienen. Hij spreekt ook over Jezus… Voordat straks pas een Romeinse hoofdman bij het kruis zal erkennen: deze man was rechtvaardig, Hij was een zoon van God. Voordat Pilatus het zo meteen uitspreekt: ik vind geen schuld in deze mens, en hij wast zijn handen en stuurt Hem dan toch maar naar het kruis. En hoe anders dan Petrus, die net hiervoor Jezus nota bene verloochent. Drie keer over: ik ken die Jezus niet; ik heb niets met hem.

Maar Judas, in het hol van de leeuw belijdt hij de onschuld van Jezus… Daar is moed voor nodig, mag je ook zeggen: daar is geloof voor nodig… En dat Judas dan ook nog eens het geld terugbrengt onderstreept de echtheid van zijn berouw. Ik denk aan die gevangenispredikant die het nogal eens meemaakte dat gevangenen spijt hadden over hun daden, en daar met hem over praatten. Wij willen graag vergeving, zeiden ze, maar zo bleek al gauw als hij even met hen doorpraatte: de verstopte buit wilden ze toch wel houden. Zo Judas niet.  Weg dat verradersgeld, en ook zo uit hij zijn berouw.

En tegelijk: wat een triestheid, een doodlopende weg lijkt het wat hier gebeurt. Ondanks Judas berouw, ondanks die oprechte spijt, ondanks zijn wroeging, komt het tot een vreselijk einde van deze discipel. Lag er dan inderdaad een soort van vloek over het leven van Judas na zijn verraad van Jezus? Was er geen weg meer terug voor hem, zoals die er toch wel was voor Petrus en Tomas en al die anderen die Jezus in de steek hadden gelaten? Zoals er bij Jezus toch altijd nog weer een weg terug is, een weg terug zolang je als mens nog om vergeving vragen kunt. Een weg terug, hoe je het ook hebt laten afweten…

Is het dan toch dat Judas met zijn berouw naar de verkeerde priesters ging? Zie ze daar eens staan en zitten op het schilderij van Rembrandt. Ze deinzen terug en ze kijken weg. Weg van dat geld, bloedgeld is het, geen zuivere koffie, dan voelen ze wel aan… Er moet maar een stuk grond van gekocht worden als begraafplaats voor de vreemdelingen die daar tijdens de feesten in Jeruzalem op pelgrimage waren, maar soms zo maar door de dood werden verrast, die werden daar dan begraven. Daar moeten we dit geld dan maar voor gebruiken. Want in de offerkist van de tempel met zulk geld, nee dat kan toch niet… En op deze manier doen we er nog iets goeds mee. Ja ook als mensen op een gigantisch dwaalspoor zitten in hun leven, kunnen ze op hun heel eigen, creatieve manier uiterst vroom blijven….

Ze kijken weg, deze priesters, weg van de open Bijbel, die Rembrandt links op het schilderij heeft afgebeeld, met een bijzondere ironie. Want in die Bijbel hadden Zacharia en Jeremia al geprofeteerd van wat hier gebeurt, zo laat Matteüs ons fijntjes weten in de laatste verzen van ons Bijbelgedeelte. Die beide profeten spraken ook al over zo’n situatie van een akker die onder barre omstandigheden werd verkocht, en over dertig zilverstukken waarmee God aan de kant werd gezet. Hier bij Jezus komt dat allemaal samen, zegt Matteüs. Maar dat moet je dan wel willen zien, dat moet je geloven…

Deze priesters kijken weg, ze kijken weg van Judas ook. ‘Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!’ Zo kijken ze weg, weg van die belijdenis van Judas ook. Een onschuldige Jezus, het zal wat! En Judas, hij vangt bot…, met zijn berouw, met zijn geloof

Bitter is het, wrang is het…, want waren juist niet de priesters ooit aangesteld om de dienst van de verzoening te verrichten? Was juist de tempel niet de plaats door God gegeven waar schuld beleden kon worden, en waar door bemiddeling van de priester altijd nog weer woorden konden klinken van vergeving, van bevrijding? Judas…, hij is met zijn berouw naar de verkeerde priesters toegegaan.

Ik vind het spannend om mezelf af te vragen hoe het misschien ook anders had kunnen gaan. Natuurlijk, wij moeten de Bijbel niet willen overschrijven. We moeten het oordeel van God serieus nemen, of we het nou leuk vinden of niet. Ook als het evangelie ons soms een levensweg tekent waarin er geen weg terug meer lijkt te zijn… We moeten dat serieus nemen, en toch.

Als Judas in zijn complete radeloosheid dan geen andere weg meer ziet dan die boom… Op die ochtend van de Goede Vrijdag… En je zou hem toch willen toeroepen: Toe nou jongen, doe je zelf nou geen kwaad. Maak dat je wegkomt! Rennen! Je moet naar die andere heuvel toe, naar die man die ook priester wordt genoemd. Hij gaat heel anders om met de schuld van mensen dan dat stelletje in de tempel. Hij is een priester die zijn taak niet verzaakt. Hij geeft mensen een nieuwe kans. Zelfs voor een moordenaar met berouw opent Hij op het laatste moment het paradijs.

Maar Judas…, hij weet de weg naar deze priester niet meer te vinden… Ja, daar ligt dan ook het verschil tussen Judas en Petrus. Petrus en trouwens alle discipelen, wat lieten ze het afweten… Verloochend, verraden hadden ook zij hun Meester… Petrus, de discipelen, en moeten ook wij maar niet in die rij gaan staan? Wat laten we het vaak afweten… Wat zijn we vaak maar heel moeilijk leesbare brieven van Jezus… Wat kan het in de praktijk van ons leven soms lijken alsof we niets met Jezus hebben…

Het beslissende is dan nog niet eens of we dat eerlijk willen erkennen. Dat is wel belangrijk, maar het beslissende is waar we er mee naar toegaan.
Naar wie we dan toe gaan. Daar nu gaan de wegen van Judas en de andere discipelen uiteen…

En wij…? Ik kijk nog een keer naar die geknielde gestalte van Judas. Vol wroeging, een en al wanhoop, maar ook zo in zich zelf gekeerd, uitzichtloos…, meesterlijk weergegeven door de jonge Rembrandt. Constantijn Huygens prijst hem aan bij zijn baas, de stadhouder en al gauw komt er een grote opdracht uit Den Haag. Of Rembrandt maar een aantal schilderijen wil maken rond de kruisiging en opstanding van Jezus. Zo leidde de weergave van de wanhopige Judas tot de uitbeelding van kern van het evangelie van Jezus. Als was het een verkondiging: daar moet je naar toe. Daar is vergeving, daar is uitkomst.

Zullen we het gaan zingen?

Wie in de schaduw Gods mag wonen
hoeft niet te vrezen voor de dood.
Zoek je bij Hem een onderkomen –
dan wordt zijn vrede jou tot brood.
God legt zijn vleugels van genade
beschermend om je heen als vriend
en Hij bevrijdt je van het kwade,
opdat je eens geluk zult zien.
(Nieuwe Liedboek 91a:1)

Amen


Liturgische bloemschikking bij deze zondag

paarskleed met jute, woestijn, gaffelkruis 

Lezingen: 

Ezechiel 37 1-14         Johannes 11 1-4 915-160 17-44

Thema; ontmoeting bij het graf 

Bloemen tussen dorre takken die gestoken zijn vanuit verschillende windrichtingen.  

Gods Geest blaast leven in wat dor en doods lijkt.

Licht van God. 

 

Schikking: Greet Jongkind

Foto: Sjaak van Buren

Categories: Geen categorie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *