Gemeente rond de kerk van Ammerstol

Het gezicht en de informatiebron van onze gemeente op het internet

Lezing en overweging 22 maart

Johannes 9. De genezing van een blinde man.

91In het voorbijgaan zag ​Jezus​ iemand die al vanaf zijn geboorte ​blind​ was. 2Zijn ​leerlingen​ vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij ​blind​ was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 3‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van ​Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. 4Zolang het dag is, moeten we het werk doen van hem die mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. 5Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld.’ 6Na deze woorden spuwde hij op de grond. Met het speeksel maakte hij wat modder, hij streek die op de ogen van de blinde 7en zei tegen hem: ‘Ga naar het badhuis van ​Siloam​ en was u daar.’ (Siloam​ is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.

8Zijn buren en de mensen die hem kenden als bedelaar zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ 9De een zei: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’ De man zelf zei: ‘Ik ben het echt.’ 10Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’ 11Hij zei: ‘Iemand die ​Jezus​ heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: “Ga naar ​Siloam​ om u te wassen.” Ik ging erheen, en toen ik me gewassen had kon ik zien.’ 12Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij.

13Toen namen ze de man die ​blind​ geweest was mee naar de ​farizeeën. 14De dag dat ​Jezus​ modder gemaakt had en zijn ogen geopend had, was namelijk een ​sabbat. 15Ook de ​farizeeën​ vroegen hoe het kwam dat hij kon zien. En weer vertelde hij: ‘Hij heeft wat modder op mijn ogen gedaan, ik heb me gewassen en nu kan ik zien.’ 16Sommige ​farizeeën​ meenden: ‘Zo iemand komt niet van God, want hij houdt zich niet aan de ​sabbat,’ maar anderen zeiden: ‘Hoe zou een zondig mens zulke wondertekenen kunnen doen?’ Er ontstond verdeeldheid. 17Daarop vroegen ze aan de blinde: ‘Wat denk jij van die man? Het zijn immers jouw ogen die hij genezen heeft.’ ‘Hij is een ​profeet,’ was zijn antwoord.

18Maar de ​Joden​ wilden niet geloven dat hij ​blind​ geweest was en nu kon zien. Ze riepen zijn ouders 19en vroegen hun: ‘Is dat uw zoon die ​blind​ geboren zou zijn? Hoe kan hij dan nu zien?’ 20‘Dit is onze zoon,’ zeiden zijn ouders, ‘en hij is ​blind​ geboren, dat weten we zeker. 21Maar hoe hij nu kan zien, dat weten we niet, en wie zijn ogen geopend heeft, weten we ook niet. Vraag het hem zelf maar. Hij is oud genoeg om voor zichzelf te spreken.’ 22Dat zeiden de ouders omdat ze bang waren voor de ​Joden, omdat die toen al besloten hadden dat ze iedereen die ​Jezus​ als de ​messias​ zou erkennen uit de ​synagoge​ zouden zetten. 23Daarom zeiden de ouders dus dat hij oud genoeg was en dat ze het hem zelf moesten vragen.

24Toen riepen ze de man die ​blind​ geweest was weer bij zich. ‘Geef Gód de eer,’ zeiden ze, ‘die man is een zondaar, dat weten we toch.’ 25‘Of hij een zondaar is weet ik niet,’ zei hij, ‘maar één ding weet ik wel: ik was ​blind​ en nu kan ik zien.’ 26Ze drongen aan: ‘Wat heeft hij met je gedaan? Hoe heeft hij je ogen geopend?’ 27‘Dat heb ik u toch al verteld,’ zei hij, ‘maar u luistert niet! Wat wilt u nog meer horen? Wilt u soms ​leerling​ van hem worden?’ 28Nu vielen ze tegen hem uit: ‘Je bent zelf een ​leerling​ van hem! Wij zijn ​leerlingen​ van ​Mozes. 29Van ​Mozes​ weten we dat God met hem gesproken heeft, maar van deze man weten we niet waar hij vandaan komt.’ 30De man antwoordde: ‘Wat vreemd dat u niet begrijpt waar hij vandaan komt, terwijl hij mijn ogen geopend heeft. 31We weten dat God niet naar zondaars luistert, maar wel naar iemand die vroom is en zijn wil doet. 32Dat de ogen van iemand die ​blind​ geboren is geopend worden – dat is nog nooit vertoond! 33Als die man niet van God kwam, zou hij dit toch niet hebben kunnen doen?’ 34Toen riepen ze: ‘Jij, sinds je geboorte een en al ​zonde, wil jij ons de les lezen?’ En ze joegen hem weg.

35Jezus​ hoorde dat en zocht hem op. Hij vroeg: ‘Gelooft u in de ​Mensenzoon?’ 36‘Als ik wist wie het was, ​heer, zou ik in hem geloven,’ zei hij. 37‘U kijkt naar hem en u spreekt met hem,’ zei ​Jezus. 38Toen zei de man: ‘Ik geloof, ​Heer,’ en hij boog zich voor ​Jezus​ neer. 39Jezus​ zei: ‘Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen ​blind​ worden.’ 40Een paar ​farizeeën​ die bij hem stonden en dat hoorden, zeiden: ‘Wij zijn toch zeker niet ​blind!’ 41‘Was u maar ​blind,’ zei ​Jezus, ‘dan zou u zonder ​zonde​ zijn. Maar u beweert dat u kunt zien, en dus blijft uw ​zonde.’

(NBV)

 

Overweging

Wat een gedoe, als je deze lezing leest. Het zou in Ammerstol kunnen gebeuren of in Bergambacht. Heel menselijk: iedereen vindt er wat van en liefst iets anders. Gedoe dus.

Gedoe is meestal heel vermoeiend, want het stuurt je gedachten alle kanten op: de een zegt dit en dan denk je: daar zit wat in. De ander zegt dat en je denkt: zou best kunnen. Je weet op een gegeven moment niet meer wat je er van moet denken en raakt zo je oriëntatie kwijt. Dat heen en weer maakt moe. Nu in deze dagen met alle beperkingen vanwege het corona-virus merk ik dat aan mijzelf en aan bijna iedereen om mij heen. Nog nooit zoveel apps gehad en mail. Wat een drukte. We zijn op zoek naar een goede houding in deze onwerkelijke tijd. Hoe brengen we de onrust in onszelf tot rust, hoe geven we onze gedachten en  gevoelens een bedding waarin zij rustig kunnen stromen?

In het verhaal van Jezus en de blinde man is het de figuur van Jezus die de onrust wakkeer roept. De genezing van de blinde – wat een wonder – op een sabbat – dat kan toch helemaal niet- roepen vragen op. Wie is de man die dit heeft gedaan? Waar komt hij vandaan? Is dit uit God? Of is het een zondaar en worden wij met dit wonder misleid?

Er moet een keuze worden gemaakt, daar daagt dit verhaal ons toe uit. Vanuit twintig eeuwen christelijke traditie weten wij het al, maar stel dat wij het verhaal in onze tijd plaatsen of onszelf in de tijd van het verhaal, midden in de discussie die Jezus zelf oproept over wie hij is. Jezus zegt opmerkelijke dingen over zichzelf: ik ben het levend water, ik ben het brood, ik ben het licht, ik ben de wijnstok, ik ben de herder. (Lees of zing lied 653 uit het liedboek) Stellen we ons voor: er komt iemand bij ons de kerk binnen en zegt dat allemaal van zichzelf. We zouden er raar van opkijken. Of denken: het zal wel. Het is niet vreemd of stuitend dat mensen rond Jezus niet meteen wisten wat zij met hem aan moesten. Hij beweerde nog al wat: wie mij ziet, ziet de Vader. Wie mij ziet, ziet God. Wie heeft het recht om dat te zeggen?

En als Jezus zo verbonden is met God, hoe kan het dan dat hij de sabbat niet onderhoudt? Dat schept verwarring.

Johannes beschrijft het hele gebeuren met de nodige humor, ironie. Als je zijn verhaal leest dan zie je het voor je ogen gebeuren: Jezus met de blinde, de buren en bekenden gaan met hem naar de Farizeeën. De ouders worden er bij gehaald, maar die durven niets te zeggen. De man die weer kan zien, die het telkens opnieuw uit moet leggen, terwijl het toch de farizeeën zijn, die dat zouden moeten kunnen. Die humor is heel belangrijk om onze weg te vinden met dit verhaal en met onze eigen onrust: de humor relativeert wat wij denken en voelen. Laten we ook met mildheid en humor naar ons zelf kijken. Moeten we alles snappen? Kijk mij eens druk wezen. Neem het zoals het komt.

Dat is precies wat de blinde die weer ziet, doet. Heel simpel: “één ding weet ik: ik was blind en nu kan ik zien”. Zo is het en niet anders.

Humor haalt een mens uit zijn eigen gelijk, schept ruimte om de dingen te laten zijn zoals ze zijn, zonder oordeel, of de noodzaak er een mening over te hebben. In het kader van blind zijn of zien: de humor laat zien wat onze blinde vlek is, zonder daar een oordeel van te maken. Wij zien niet alles, laat staan dat wij alles begrijpen of weten. Humor schept ruimte. Die ruimte in ons heeft God ook nodig om ons te kunnen bereiken, aan te raken. Ik ken in elk geval bij mijzelf de ervaring dat ik mijzelf op kan sluiten in de gedachten die in mij omgaan en niet meer om mij heen kan kijken. Dan sluit ik mij af en zie ik niet meer dan dat wat ik wil zien, dan dat waar ik zo druk mee ben. Dan raakt mij hetzelfde verwijt dat de farizeeën raakt: zolang ik denk dat ik het zie, blijft mijn zonde, dat wil zeggen is er in mij geen ruimte voor het wonder van God.

De blinde was geen zondaar, dat zijn zij die zeggen dat zij zien, aan de blinde wordt zichtbaar Gods werk, Gods wonder. Gods wonder wordt zichtbaar voor hen, die durven erkennen dat zij niet zien. Dat is de paradox aan het einde van het verhaal, waarin Jezus spreekt over het oordeel dat hij zal vellen. Het oordeel aan het einde van deze episode klinkt in het niet willen erkennen van hun eigen onvermogen om te zien. In de volharding: ik ben niet blind, blijft de zonde. Zo ernstig is het dat een mens opgesloten kan raken in zichzelf en dat niet door heeft. Hij maakt het donker voor zichzelf. Dat hoeft en mag niet zo te blijven.

Johannes vertelt dit verhaal om tot bezinning te komen en ons bewust te worden wat wij zien, waar wij blind voor zijn, waar wij open voor staan en waar wij ons voor afsluiten. Het slot van zijn verhaal onderstreept de ernst van zijn oproep. En opent de mogelijkheid om het anders te doen.

Als er ruimte komt, kan een mens geraakt worden door het wonder. Hoe mooi is de bloesem, hoe fris de lucht, hoe hartverwarmend de vriendschap, hoe verborgen nabij onze God.

Deze onrustige dagen nodigen ons uit om ons te bezinnen en de rust en vrede te zoeken in onszelf. Laat in die bezinning de ruimte groeien voor wie zich aandient en komen zal al weten wij noch dag noch uur.

 

Gebed

Niet met wonder en geweld komt U bij ons,

U breekt niet in in ons bestaan,

onweerstaanbaar is uw kracht die mild

en liefdevol ons leven omhult,

zo worden wij behoed en gaan wij niet verloren.

Heel deze wereld omvat U

de stilte spreekt van U

de dag gaat in U op

de nacht zwijgt in U.

Aan U vertrouwen wij toe wat in ons leeft,

onze hoop en ons verlangen vindt in U haar bestemming

in deze dagen die ons onzeker maken

zoeken wij houvast bij U;

in U geborgen zijn allen die ziek zijn,

U tempert het geweld waarmee mensen elkaar naar het leven staan

U hoedt de vriendschap en doet ons gevoelig zijn

voor wat een ander overkomt,

U bent thuis bij ieder die onder uw schaduw wil wonen.

Hoor, U die ademt in ons leven,

wat zich uitspreekt in de stilte.

 

Onze Vader

 

Zegen

Laat de liefde van God uw onderdak zijn

en de wijsheid van Jezus uw gedachten richting geven

dat de troost van de heilige Geest u zal bemoedigen

en u doet weten dat u leven zult in vrede.

Amen

Categories: Geen categorie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *